Eva Vandemeulebroucke

E-mail
   
Url http://www.nederlandseliteratuur.ugent.be/personeel/departmentnumber/lw07/ugentid/802001618421
   
Bibliografie http://lib.ugent.be/bibliografie/802001618421

Vakgroep Letterkunde (LW07)

Adres Blandijnberg 2, 9000, Gent
Fax 09 264 41 74

Vakgroep Letterkunde (LW07)

Adres Blandijnberg 2, 9000, Gent
Fax 09 264 41 74

 

Opleiding- en werkervaring

-         2004-2007: Bachelor in het Secundair Onderwijs: economie, Nederlands en geschiedenis, Arteveldehogeschool Gent

-         2010-2012: Schakelprogramma tot Master in de Taal-en Letterkunde (Nederlands), Universiteit Gent

-         2012-2013: Master in de Taal-en Letterkunde (Nederlands), Universiteit Gent

 

-         2007-2013: Zelfstandige in hoofdberoep, o.m. trainer intensieve taallessen Nederlands aan anderstalige Belgen en trainer business-                             oriented taalbad Nederlands

-         2013 – heden: Doctoranda Universiteit Gent, BOF, promotor prof. dr. Youri Desplenter

Onderzoek

Project

Visies op auteurschap in de Middelnederlandse literatuur (ca. 1200 – ca? 1550) en weergave van dat auteurschap in Nederlandse literatuurgeschiedenissen (vanaf ca. 1850) (2013-2017)

Promotor: Prof. dr. Youri Desplenter (Universiteit Gent)

Co-promotor: Prof. dr. Jürgen Pieters (Universiteit Gent)

 

Doelstelling

Inzicht bekomen in de contemporaine visies op auteurschap in de Middelnederlandse literatuur (ca. 1200-ca. 1550) en in de wijzen waarop dat auteurschap in de moderne filologie (vanaf ca. 1800) werd weergegeven, via:
(1) een analyse van de zogenoemde opera omnia-handschriften en –drukken van vier Middelnederlandse auteurs, met name Hadewijch (ca. 1250), Jan van Ruusbroec († 1381), Jan van Leeuwen († 1378) en Willem van Hildegaersberch († ca. 1409);
(2) een confrontatie van de visies op auteurschap zoals die uit de onderzochte bronnen naar voren komen met de impliciete en expliciete visies op die welbepaalde middeleeuwse auteurs in de belangrijkste Nederlandse literatuurgeschiedenissen (ca. 1850 tot heden).

 

Onderwerp

Literatuur en alle daarmee verbonden grootheden – zoals auteur, publiek en canon – zijn concepten die in verschillende contexten (ruimte en tijd) anders werden ingevuld. Wat de contemporaine visies op het auteursconcept in de Middelnederlandse literatuur waren, vormde tot op heden nog niet het onderwerp van literair-historisch onderzoek. Enerzijds is de anonimiteit van de middeleeuwse tekstoverlevering daar verantwoordelijk voor, anderzijds behelpt men zich nog te vaak met de theorie van Minnis (1984) aangaande het middeleeuws auteurschap, terwijl die zich enkel focust op de in het Latijn schrijvende auctores en niet op de volkstalige schrijvers. De opera omnia-handschriften - manuscripten die het verzameld werk van een auteur aanreiken – bieden evenwel een mogelijkheid om inzicht te krijgen in de visies op, het belang en idealiter het ontstaan van het auteurschap in de middeleeuwse Nederlanden. Met de studie van auteurshandschriften wil dit project impliciet aantonen dat de New Philology te radicaal is in het ontkennen van het belang van de auteur voor het middeleeuwse literatuurbedrijf, maar daarnaast het gelijk aan haar kant heeft met haar mening dat de werking van middeleeuwse literatuur enkel uit de manuscripten valt af te leiden.

De handschriften (en drukken) die de opera omnia van Middelnederlandse auteurs samenbrengen, zijn al wel bestudeerd, maar niet als bron voor de middeleeuwse visies op het auteursconcept binnen de volkstalige literatuur. Er zijn trouwens maar weinig Middelnederlandse auteurs van wie het werk in opera omnia-handschriften of –druk is overgeleverd. Het gaat meer bepaald om Hadewijch (ca. 1250?; zie Kwakkel 1999), Jan van Ruusbroec († 1381; zie Kienhorst/Kors 1998), Jan van Leeuwen († 1378; zie Geirnaert/Reynaert 1993: 191) en Willem van Hildegaersberch († ca. 1409). Alles samen betreft het een tiental handschriften en één druk die in Vlaanderen en Nederland worden bewaard. Die zullen nauwgezet worden geanalyseerd, onder meer naar opzet, vormgeving, ontstaanscontext, prologen, rubrieken (of tussentitels), portretminiaturen en het verband en/of de verhouding van de verzamelhandschriften tot andere contemporaine bronnen die uitspraken doen over die bepaalde auteur of over zijn/haar auteurschap. Centraal staat het beantwoorden van de vragen waarom (enkel) van die auteurs het verzameld werk werd aangelegd, in welke context dat gebeurde en welke visies op die auteur en het middeleeuws auteurschap uit de handschriften naar voren komt.

Het tweede luik van het onderzoek zijn de auteursreconstructies. Die vinden we terug in de Nederlandse literatuurgeschiedenissen die vanaf het midden van de negentiende eeuw zijn verschenen. Allemaal geven ze een overzicht van de Nederlandse letterkunde, steeds vanuit een welbepaalde visie op literatuur, maatschappij en geschiedenis. Buitenlands onderzoek leert dat die soms expliciete, vaak ook impliciete agenda vervolgens in grote mate de lectuur van historische teksten gaat bepalen (Perkins 1993: 184). Bij de analyse van de literatuurgeschiedenissen zullen de vier reeds aangehaalde auteurs - vanzelfsprekend in hun ruimere context - bestudeerd worden. De focus zal worden gelegd op het beeld dat van de auteur wordt geponeerd, de wijzigingen ervan en de drijfveren die er (eventueel) achter schuilen. Ten tweede zal de visie geplaatst worden in het grotere ‘programma’ van de literatuurgeschiedenis.