Gilliams

CTB/KANTL-onderzoeksproject (vanaf januari 2009):

 

Varianteneditie Maurice Gilliams - Gedichten

Promotores: Prof.dr. Y. T'Sjoen, Prof.dr.em. A.M. Musschoot en Dr. L. van Melle
Uitvoerder: NN.

 

A. Probleemstelling 

°kort overzicht van de bestaande auteursedities (naar de auteurswil)

In 1993 verscheen bij Meulenhoff, ruim tien jaar na het overlijden van Maurice Gilliams (1900-1982), voor het eerst een postume afzonderlijke uitgave van de Verzamelde gedichten met een nawoord door Stefan Hertmans. De titel Verzamelde gedichten is echter misleidend en bovendien is deze editie niet wetenschappelijk onderbouwd. Het betreft in feite een loutere herdruk van de door Gilliams zelf geselecteerde gedichten die als zijn verzameld dichtwerk moesten doorgaan (cf. zijn verzamelbundel uit 1964: Gedichten 1919-1958). In het eerste deel van de vierdelige auteurseditie Vita brevis. Tweede, herziene en vermeerderde uitgaaf van het verzameld werk, die tussen 1975 en 1979 bij Orion werd uitgegeven, werden Gilliams' verzamelde gedichten opgenomen, die door de auteur voor de laatste keer geredigeerd waren. Het zogenaamd verzameld dichtwerk bevat acht cycli en de cyclus getiteld ‘Vier opdrachten voor "Vita brevis" geschreven': in totaal slechts 67 gedichten. De meeste cycli waren tijdens Gilliams' leven eerst als afzonderlijke uitgaven verschenen: de cyclus ‘Het werk der leerjaren', met gedichten die in Vita brevis gedateerd zijn tussen 1919 en 1921, verscheen pas in 1947 onder die titel (De Nederlandsche Boekhandel) en bevatte zeven gedichten, ‘acht dagboekbladen' en het jeugdverhaal ‘Het verlangen'. De zeven gedichten zijn gedateerd tussen 1918 en 1925, wat reeds aangeeft dat Gilliams hieruit later maar enkele gedichten heeft behouden en dat hij de cyclus ook heeft aangevuld. De gelijknamige cyclus in Vita brevis telt acht gedichten. Dezelfde werkwijze van selectie, reductie, aanvulling, compositorische verschuivingen, de wijziging van titels, de bewerking van de gedichten, het onderbrengen van gedichten in een nieuwe context, cyclus en/of bundel, enz. is ook kenmerkend voor de tekstgeschiedenis van de andere gedichten die in Vita brevis zijn opgenomen en die Gilliams dus waardig geacht heeft om ze als zijn dichterlijk testament over te leveren. De cyclus ‘Eenzame vroegte' in Vita brevis bevat 6 gedichten terwijl de gelijknamige bundel uit 1928 nog 23 gedichten bevatte. ‘Landelijk solo' is in Vita brevis in 1927 gedateerd en bevat 4 gedichten. Deze cyclus verscheen voor het eerst als tweede cyclus van de verzamelbundel Het verleden van Columbus (1933) en bevatte toen nog 7 gedichten. Het aantal gedichten in ‘De fles in zee' in Vita brevis is ten opzichte van vroegere gelijknamige cycli en afzonderlijke bundels ook fel gereduceerd en herzien. Enkel de 13 gedichten in de cyclus ‘Het Maria-Leven' in Vita brevis zijn, op enkele varianten na, dezelfde gebleven als in de in 1932 verschenen gelijknamige bundel. De zesde cyclus in Vita brevis, ‘Verzen 1936', is ten opzichte van de eerste druk in de tweede herziene herdruk van de verzamelbundel Het verleden van Columbus (1938) met één gedicht aangevuld. Selectie en reductie zijn dan weer sterk bepalend gebleken voor de cyclus ‘Tien gedichten'. Toen de gelijknamige bundel in 1950 verscheen, bevatte die eveneens 10 gedichten maar slechts 5 van de 10 gedichten zijn in de betreffende cyclus in Vita brevis behouden. De cyclus ‘Bronnen der slapeloosheid' ten slotte verscheen voor het eerst in het vierde deel van de eerste editie van Vita brevis (1959) en in 1964 verscheen de gelijknamige afzonderlijke en aangevulde bundel. Deze negen gedichten zijn behouden in Vita brevis van 1975. De afzonderlijke uitgave van deze gedichtenreeks door Meulenhoff (2003) is om meerdere redenen te beperkt qua opzet en voldoet niet aan de wetenschappelijke eisen van een ‘kritische' teksteditie. De laatste cyclus met ‘vier opdrachten in "Vita brevis" geschreven' verscheen voor het eerst in de tweede en vermeerderde uitgave van de verzamelbundel Gedichten 1919-1958 (1965).

°probleem van de bestaande auteursedities
In totaal heeft Maurice Gilliams dus 67 gedichten voor het lezend nageslacht geselecteerd. Het zijn die gedichten die in de postume uitgave van zijn Verzamelde gedichten (1993) zijn opgenomen. Nergens wordt in deze editie echter melding gedaan van de zeer karige ‘overschot' waarmee men naast Gilliams' herhaaldelijke selecties en verloocheningen nog te doen heeft. Terloops wijst Stefan Hertmans erop dat Gilliams wel méér gedichten heeft geschreven maar dat hij enkel de betreffende gedichten ‘als waardig [beschouwde] om in een dergelijke uitgave opgenomen te worden. De gedichten van Maurice Gilliams lijken voorzichtig opgespaarde nectar, moeilijk vindbare vloeistof, ingedikte substantie die met het geduld en de omzichtigheid van een alchemist bereid moest worden'. De auteurswil was bij deze herdruk kennelijk doorslaggevend. Zelfs de keuze van een versie van de gedichten als basistekst wordt niet verantwoord. Hertmans wijst op het verzameld dichtwerk dat tijdens het leven van de auteur als Gedichten 1919-1958 door J. de Belder bij Colibrant werd uitgegeven en dat ondertussen een ‘collector's item' is geworden. Welke druk voor dit verzameld dichtwerk dan als basistekst mag gediend hebben,wordt niet verantwoord.
In ieder geval zijn het steevast deze gedichten, de auteursselectie van 67 gedichten, waarop Gilliams-onderzoekers zich tot vandaag baseren en dit conform de uitdrukkelijke wens van de auteur. De noodzaak dringt zich dan ook op het onderzoeksobject te verruimen en tegen de wil van de auteur in zijn volledige dichterlijke productie in kaart te brengen. Gilliams was uiterst zelfkritisch en zijn opvatting over het kunstwerk, waar als aan een kei steeds verder gepolijst moest worden, heeft geresulteerd in een in zichzelf besloten dichterlijk geheel dat secuur is gevormd en volmaakt lijkt. Maar er bestaat geen twijfel dat voor verder wetenschappelijk onderzoek, tegen de testamentaire eisen van de mythebouwer Gilliams in, het noodzakelijk is het Volledige dichtwerk van Maurice Gilliams (hier aangeduid als Gedichten) te presenteren in een kritisch verantwoorde leeseditie.


B. Inhoud

Maurice Gilliams schreef naast gedichten ook verhalen, romans, dagboeken en essays maar hij was en is in de eerste plaats dichter. Zijn literair ‘zelfportret', de levende idee die hij wilde worden in de tijd, is in de eerste plaats geboetseerd rond en gevormd door zijn gedichten. Gilliams' persoonlijke poëtica wordt gekenmerkt door de drang naar het volmaakte kunstwerk en het besef van de onmogelijkheid dit te bereiken. De selectie die hij in 1964 presenteerde (de 67 gedichten in Gedichten 1919-1958) benaderde volgens de auteur zijn nagestreefde ‘ars longa' het dichtst. In Gilliams' poëzie vormt, zoals in zijn meeste werken, de persoonlijke ervaring het uitgangspunt. Maar Gilliams streefde naar en bereikte een perfect evenwicht tussen belijdenis en strenge vorm, tussen zelfbespiegeling en autonomisme, tussen romanticisme en rationalisme. In zijn poëzie valt een duidelijke evolutie waar te nemen naar meer verdichting en hermetisme tot de volledige oplossing van het lyrische subject. Een hoogtepunt in deze evolutie vormt de cyclus ‘Verzen 1936', met de beduidende autobiografische datum (het sterfjaar van zijn moeder en de publicatie van Elias of het gevecht met de nachtegalen), met gedichten die aansluiting vinden bij de zogenaamde ‘Bildgedichte' van Rainer Maria Rilke en waarin de commentariërende of belijdende tussenkomst van het ‘ik' nagenoeg afwezig is. Om deze opvallende evolutie in Gilliams' poëtica optimaal te bestuderen, mogen we niet enkel een beroep doen op het dichterlijk spoor dat door de auteur zelf in scène is gezet en is nagelaten. Een uitgave van Gilliams' Gedichten is noodzakelijk om de poëticale evolutie exhaustief te onderzoeken en ook om de frappante intratekstuele verbanden tussen de gedichten en zijn ander werk te interpreteren. Ook vanuit biografisch oogpunt is een editie van het volledige dichtwerk dringend. Gilliams' mythologisering van leven en werk, waar de talloze ante- en postdateringen van zijn gedichten slechts één voorbeeld van zijn, dient wetenschappelijk geproblematiseerd te worden.
De literairhistorische waarde van Gilliams' werk staat buiten kijf. Zowel in de psychologiseringstendens in de Nederlandstalige literatuur van het interbellum als in een Europese modernistische context neemt Gilliams' oeuvre een prominente plaats in (R.M. Rilke, P. Valéry, G. Trakl, G. Benn). Gilliams was ook zeer onder de indruk van het dichtwerk van Van Ostaijen, Van de Woestijne en Leopold en hij heeft op zijn beurt dan weer latere dichters en prozaschrijvers geïnspireerd, onder wie Ivo Michiels, Mark Insingel en Stefan Hertmans.


C. Doelstelling

Doelstelling van de uitgave van de Gedichten van Gilliams is de verzameling en inventarisatie van àlle overgeleverde gedichten (gepubliceerd of nagelaten, gedichten in periodieken, brieven, enz.) waar een grondig bronnenonderzoek aan vooraf moet gaan. Gezien Gilliams' maniakale tekstredacties gedurende de tekstgeschiedenis van al zijn werken, biedt de optekening van varianten ongetwijfeld een meerwaarde voor de studie van Gilliams' poëticale evolutie. Om de uiterst complexe compositorische en tekstgenetische situatie te presenteren, zullen verschillende stemma's en schema's moeten worden opgesteld. Een primaire en secundaire bibliografie is vereist (de Gilliams-bibliografie door F. vander Loo (1976) is in vele opzichten onvolledig; cf. o.m. de aanvulling door Van Assche (1977)). De gedichten die de jonge Gilliams bijvoorbeeld onder het pseudoniem Floris van Merckem publiceerde, ontbreken veelal in bibliografieën.
Het onderzoek moet resulteren in een wetenschappelijk verantwoorde leesuitgave van Gilliams' Gedichten, waarin de ontstaans- en drukgeschiedenis wordt geschetst, een bondige tekstverantwoording (keuze van de basisteksten, ingrepen, enz.) wordt opgenomen en het dichtwerk literairhistorisch wordt toegelicht.
Wat de keuze van de basisteksten betreft: aangezien met dit project een varianteneditie wordt beoogd, zullen van dezelfde teksteenheden (of gedichten) verschillende ‘voltooide' versies worden opgenomen. Dat wil zeggen dat de door de auteur als (tijdelijk) voltooide versies van gedichten, die samen de tekstontwikkeling illustreren, als basistekst fungeren, op grond waarvan de leesteksten worden geconstitueerd. Model voor deze werkwijze zijn de HKE's Nijhoff en Minne: in het Tekstendeel worden de ‘voltooide' versies van gedichten (met naast het gedichtnummer een extensie a-b-c...) gepresenteerd. Verderop wordt die werkwijze (inzake keuze van de basisteksten) verder toegelicht. Aangezien Gilliams tot op het eind van zijn leven is blijven polijsten aan teksten (dus ook gedichten), die eerst in (een) andere versie(s) zijn gepresenteerd (in druk), biedt zo'n reeks leesteksten van dezelfde gedichten (maar in verschillende versies dus) inzicht in de werkwijze van de auteur.

Deze editie zal de fundamentele teksteditorische basis vormen voor verder tekstgenetisch onderzoek naar intratekstuele verbanden (de zogenaamde melodische verschuivingen) in Gilliams' volledig werk waarbij de genre-indeling veeleer arbitrair is.


D. Inbedding in lopend onderzoek

° Historisch-kritische editie van Gilliams' romans Elias of het gevecht met de nachtegalen (1936) en Winter te Antwerpen (1953). Proefschrift (2003-2007) Liesbeth Van Melle, (co)promotoren Anne Marie Musschoot en Yves T'Sjoen, Universiteit Gent.

°Editie van de correspondentie Gilliams - Emmanuel de Bom, door Stijn Vanclooster (ter perse)

°Die Onvinbare heb ik bij u gezocht. De briefwisseling tussen Maurice Gilliams en Maurice Roelants, door Liesbeth Van Melle, Gent (KANTL), 2006

°L. Van Melle, ‘Die Onvinbare Ene of een gemaniëreerde gemeentesecretaris. De contacten tussen Maurice Roelants en Maurice Gilliams', in ZL : Literair-historisch tijdschrift, 5 (2006) 3, p. 46-66.

°L. Van Melle, ‘Pourquoi cette galopade de livre en livre. Maurice Gilliams' opvattingen over het werk van Gerard Walschap', in Spiegel der letteren, 47 (2005) 1, p. 53-74. (Lezing op de Walschap-studiedag, ‘Walschap gelezen door collega-auteurs', Antwerpen, 19 november 2004).

°L. Van Melle, ‘Bootjes van papier. Over de werkwijze van Maurice Gilliams', in D. Van Hulle & Y. T'Sjoen (red.), Denken op papier. Tekstgenetische studies [AMVC-Publicaties], Antwerpen (AMVC-Letterenhuis), 2006, p. 75-90. (Lezing op studiedag tekstgenese, Antwerpen (AMVC), 10 november 2004).

°Studienamiddag Versies van lezen/lezen van versies. Het gedicht ‘Winter te Schilde' van Maurice Gilliams, Gent (KANTL), 18 november 2005. Een studieboek hierover met bijdragen van verschillende Gilliams-onderzoekers wordt voorbereid.